de bocht van Jaurès

« Het menselijke leven kent tenslotte kanten die alleen met poëtische middelen adequaat uitgebeeld kunnen worden » -Tarkovski – de verzegelde tijd.

In de films van Andrei Tarkovski bestaan sequenties, poëtische parentheses, die niet direkt een verbinding hebben met de verhaallijn, maar onafhankelijke illustratie’s zijn binnen het weefsel van de vertelling. Herinneringen of droomfragmenten uit de kindertijd van de regisseur, die hij in zijn films heeft verwerkt als ondersteunend onderdeel van het narratieve geheel. Droombeelden. Beelden die de chronologische, lineaire gang van zaken onderbreken, blikken van de toeschouwer afleiden, omleidingen aanleggen in gedachten en associatie’s om vervolgens dezelfde toeschouwer met zachte hand te leiden naar de plek waar het verhaal verder gesponnen wordt. Een visuele ademruimte.

Deze beelden zijn nooit helemaal statisch, altijd is er een kleine beweging, iets trilt of siddert heel licht op een bries, waterdruppels vallen traag, er trekken rimpels door een plas water. De tijd vertraagt zijn pas, stolt, komt zuchtend tot stilstand. Het is precies daar, in de beleving van de tijd, vermoedelijk Tarkovski’s grootste obsessie, dat deze ingelaste elementen hun werk doen, Tarkovski neemt ons als kijker mee op een reis naar een kinderlijke ervaring van tijd, toen de notie van tijd nog niet bestond en het tegelijkertijd het enige was waarover we in overvloed beschikten. Er vindt een intensivering, een verdieping van de ervaring plaats, de chronologische horizontaliteit breekt open en toont een andere, poëtischer waarheid over ons leven dan de lineaire « business as usual ».

Een van de mooiste plekken in Parijs is geen plek, maar een beweging. Een beweging langs een plek, een bocht in het traject van metrolijn 2 waarvoor de trein, komend vanaf Nation na het station Colonel Fabien uit zijn schulp kruipt en het daglicht binnenrijdt en zicht biedt op het leven bovengronds. Ik kijk keer op keer uit naar dit moment tijdens de voor het overige wat saaie, meestal plichtmatige, ondergrondse reis ; als sardientjes in blik worden honderden mensen ogenschijnlijk in kaarsrechte lijn door duistere tunnels van A naar B getransporteerd. Iedereen trekt zich terug in zijn eigen wereld of bakent luidruchtig telefonerend, manspreadend of met grote tassen zijn territorium af om dit moment van gedwongen intimiteit met de medemens zo goed mogelijk door te komen. Contact wordt gemeden, de ander ontkent; het leven zoals we het kennen, lijkt niet meer te bestaan.

Maar dan klimt de metro na Colonel Fabien omhoog naar het licht. Een aantal meter boven straatniveau spuwt hij reizigers uit op station Jaurès, slokt nieuwe passagiers op en zet zich dan voorzichtig weer in beweging. Opeens is er weer een besef van plaats, van tijd, ruimtelijkheid en een groter verband, we maken weer deel uit van de wereld. Links het kanaal van Saint Martin, met zijn hoge bruggen en bomen rond de sluis, aan de rechterkant la Rotonde Ledoux, een oud tolhuis aan het begin van het bassin de la Villette en in de verte het gelijknamige park met Cité de la musique en de nieuwe Philharmonie. Beneden op straatniveau het verkeer op het hektische kruispunt van de boulevard de la Villette en de Rue Lafayette. De medereizigers die zojuist nog rumoerig en bleek in het neonlicht, met hun hete adem net iets te dichtbij stonden, worden lotgenoten die in het daglicht hun menselijkheid herwinnen. Met verminderde vaart volgt de trein als een kronkelende slang de lichte curves in het spoor om vervolgens naar links af te buigen en koers te zetten richting station Stalingrad. Een schijnbaar gewichtloze metrotrein tekent als een rollercoaster in een onderwaterwereld een lus. In deze bocht kantelt en schuift het stedelijk landschap, het perspectief wordt anders, je krijgt zicht op de wijken rond La Chapelle, Barbès en het Gare du Nord. Pigalle lonkt van ver en hoog boven de woonkazernes van het 18e arrondissement troont de Sacré Coeur op de top van Montmartre. Geluksvogels die een zitplaats hebben gevonden kijken dromerig naar buiten of zijn verdiept in hun boek of smartphone, staande reizigers moeten min of meer de zeilen bijzetten om het evenwicht te bewaren, men grijpt naar handvatten en stalen buizen die hiervoor zijn aangebracht. Een stille choreografie van honderden personen in hetzelfde schuitje, terwijl achter de ramen van de trein de poëzie van het dagelijkse leven in de grote stad zich toont en als in filmische beelden traag voorbijtrekt. De tijd houdt zijn pas in, alles wordt een fractie trager. De zon verbleekt het neonlicht.

God maakt een polaroid.

Even is de wereld groter en wijdser dan de door aard duistere catacomben voortsuizende koker van glas en aluminium. De blik is even afgeleid, het bewustzijn heeft het moment geregistreerd en ingekleurd als een droombeeld, gedachten zijn een zijpad ingeslagen en verwijlen nog wat terwijl de trein snelheid maakt en afstevent op de stations Stalingrad, La Chapelle en Barbès Rochechouart, om aan de voet van Montmartre weer de grond in te duiken. Alles herneemt zijn loop, maar alles is anders.

Er zijn binnen het Parijse metrostelsel meerdere bovengrondse metrostations, op lijn 2 en lijn 6. Deze beide lijnen vormen op de plattegrond respectievelijk een concave en convexe boog, lijn 2 in het noorden en lijn 6 in het zuiden van de stad. De cirkel sluit zich op de verbindingspunten onder de Arc de Triomphe op station Charles de Gaulle Etoile in het westen en op Nation in het oosten van de stad. Op zijn weg van oost naar west steekt op lijn 6 de trein twee keer de Seine over. Deze twee bovengrondse passages zijn spectaculair. Nadat de trein station Bercy heeft verlaten , kun je op de brug over de Seine rechts ver weg het Ile de la Cité en de Notre Dame ontwaren, links de vier torens van de Bibliothèque Nationale en verder ontvouwt zich de zuidoostkant van de stad en de banlieue. Eenmaal aangekomen in het westen van de stad heb je een fenomenaal zicht op de Eiffeltoren wanneer je tussen de stations Bir-Hakeim en Passy via de prachtige Bir-Hakeimbrug de Seine oversteekt. Met haar voeten bijna in het water van de Seine en op sombere dagen met haar hoofd in de wolken, staat la Dame de Fer daar, jour et nuit, in vol ornaat haar stad te overzien.

horse-dance

een droombeeld uit “Andrei Rublev” van Andrei Tarkovski

 

de Bir-Hakeimbrug

de heremiet van het Bois de Vincennes

“Het gaat niet altijd goed met mij, soms zelfs ronduit slecht, meestal ben ik met mezelf en alles in gevecht” zingt Brigitte Kaandorp in een van de meest hilarische liedjes uit het Nederlandse cabaret. Ik houd erg van de eerste maten van dit lied, de eenvoudige maar beklemmende pianointroductie past perfect bij de duistere woorden die volgen; de geestige tekstwending aan het eind van elk couplet wordt ondersteund door een bijna Schubertiaanse afwisseling van mineur naar majeur, het licht breekt door, een katharsis vindt plaats: boos haar stoepje boenend komt Kaandorp tot het inzicht dat het allemaal veel erger had gekund.

Al mijn hele leven ben ik behept met een donker getimbreerde geest, zoals een van mijn beste vrienden het ooit noemde, een melancholie die over het algemeen goed te hanteren en vaak prettig is en kleur, intensiteit en diepte aan het leven geeft, maar bij tijden als oud fruit dat te lang in een fruitschaal blijft liggen, zwarte plekken begint te vertonen en zich langzaam transformeert in een blijvende somberheid die zich dagelijks laaft aan hardnekkig terugkerende, omlaagtrekkende gedachten en die tijd nodig heeft om te vergaan en als humus te verdwijnen.

Zo’n twee jaar geleden heb ik een periode gekend waarin, door verschillende oorzaken, deze somberheid is ontkiemd en woekerend gedurende lange maanden niet van wijken wilde weten, coachingsessies en zelfhulpmethodes ten spijt. Een depressie. Gevoelsdoof deed ik mijn werk, verscheen ik op afspraken, grijs en miezerig regen de dagen zich aaneen.

Op een prachtige herfstdag waarop God’s wereld er prachtig bijlag en iedereen er gelukkig op los leek te leven, was ik op het diepste punt van het Niets aanbeland en lag het raderwerk in mijn hoofd en hart stil als de motor van een roestende schuit op de bodem van het verdroogde Aralmeer. Ik kon niet meer voor-of achteruit; met lood in mijn schoenen besloot ik een wandeling te gaan maken in het Bois de Vincennes.

Dit enorme park dat met een afmeting van 9,95 km2 bijna drie keer zo groot is als Central Park in New York, ligt net buiten de ring maar maakt toch deel uit van de stad Parijs en is een overblijfsel van het woud dat in de oudheid Parijs, of wat het toen was, omringde. Hugues Capet, de eerste koning van de Capet dynastie maakte het in de 10e eeuw tot zijn jachtterrein en rond 1150 richtte Louis VII er een jachtpaviljoen in dat later, met name dankzij Karel V die er geboren is, tot vesting werd omgebouwd: het château de Vincennes. Eeuwenlang privédomein van de Franse monarchie, wisselt het geregeld van eigenaar en van funktie nadat Lodewijk de Veertiende rond 1670 Versailles boven Vincennes verkiest en voorgoed vertrekt. De prachtige nog steeds fier overeind staande 14e eeuwse slottoren wordt lang als gevangenis gebruikt voor hooggeboren gedetineerden en heeft in de 18e eeuw illustere bewoners: Voltaire, Sade, Mirabeau en Diderot.

Heden ten dage zijn kasteel en bos volledig opgeslokt door de stad en haar banlieue. Het bos is nu een stadspark, met bijbehorende dynamiek en dagelijkse bezoekers: schoolklassen in gele veiligheidshesjes, voortschuifelende bejaarden, hardlopende militairen, groepen paardrijders van de in het park gelegen manege, wandelaars, joggers, fietsers, moeders met kinderwagens, wiet rokende scholieren; en later op de dag, wanneer de schemer langzaam intreedt, mensen languit in het gras met een flesje wijn aan de oever van een van de meren, lome geliefden, dealende schimmen, schuifelende schaduwen, geritsel, vorsende blikken, cruisende mannen en prostituees.

Volgens Google maps was het ongeveer twintig minuten lopen van mijn huis naar het bois. Al na een kilometer merkte ik dat de nevelen in mijn hoofd optrokken en er wat licht doorbrak, mijn zintuigen ontwaakten weer. Toen ik, eenmaal aangekomen, tegenover de zuidelijke ingang van het chateau de route Dauphiné insloeg, trok het bos een zacht gordijn achter me dicht, het licht werd door boomkronen gefilterd, mijn auditieve ervaring veranderde: verkeersgeraas werd “horenderoren” gedempt en maakte plaats voor het brommen van een hoog overvliegend vliegtuig, zacht geruis in boomtoppen, het zingen van vogels, mijn voetstappen in het zand. Sindsdien maak ik, als het enigszins kan, dagelijks een wandeling in het bois de Vincennes of ga ik er hardlopen.

Tijdens een van mijn wandelingen gedurende die sombere herfst ben ik vanaf de grote allee via welke je het park binnenkomt, een smaller pad ingeslagen dat door dichte bebossing voert. Het was een frisse maandagochtend, de herfst had inmiddels met kille temperaturen, een voortdurend van kleur veranderende hemel, wolkengedreig en slagregens definitief zijn intrede gedaan. Het was vochtig, het rook naar humus en er was een zacht geruis van vallende druppels in het struweel. Ik ontdekte links in het kreupelhout een klein en sober, zeer geordend kampement: een dik zeil, als luifel gespannen, op vier hoeken door stevige stokken ondersteunt. Een koffer, een paar houten kisten stonden in een hoek. Het terrein werd afgebakend door lange, liggende boomstammen. Ik vertraagde mijn pas om beter te kunnen zien; aan een laag tafeltje zat een man in dikke, warme kleding met een muts op zijn hoofd, zijn handen in dikke wanten in zijn schoot; hij keek recht voor zich uit als was hij aan het mediteren, de kleine ademwolkjes die gestaag opdoken waren het enige teken van leven. Nieuwsgierigheid en fascinatie dwingen me nu elke keer wanneer ik het park bezoek het pad in te slaan dat langs zijn behuizing voert. Zomer en winter is hij daar: soms zie ik hem in t-shirt en korte broek eten bereiden of klussen aan zijn woonstede, soms ligt hij diep opgerold in een slaapzak te slapen of zit hij voor zijn tent te lezen.

Hoewel ik niets weet over deze man, zijn lot en de redenen voor zijn verblijf in het park, is zijn aanwezigheid op een vreemde manier geruststellend en inspirerend; hij is in zijn van-de-wereld-afgewend-zijn symbool geworden voor wat ik elke keer weer, al wandelend of rennend dieper het park doordringend, zoek en vind: het door afzondering en fysieke beweging bewerkstelligde afdalen in de geest dat vastgekoekte sombere gedachten losweekt en diep verankerde zelfafwijzing vlottrekt. Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat deze heremiet, zoals ik hem inmiddels in mijn hang naar romantiek en vagebonderij noem, door het leven en omstandigheden te grazen is genomen en om economische redenen hier zijn kamp heeft opgeslagen; het voert vast te ver om hem hier als een Danteske figuur uit de Purgatorio ten tonele te voeren, over zijn bestaan te “fabulieren” en zodoende een wellicht hard bestaan aan de periferie van de samenleving op te poetsen en te romantiseren, maar zijn fiere lichaamshouding en de orde die onder en rond zijn afdak heerst, wekken bij mij de indruk dat het bij deze man niet gaat om een “klassieke” dolende ziel zonder vaste woon-of verblijfplaats zoals er zovelen zijn onder de bruggen en in de metrostations en portieken van de stad, maar om een weloverwogen keuze voor een afgezonderde levensvorm. Bovendien denk ik dat Connie Palmen gelijk heeft, wanneer ze in “het geluk van de eenzaamheid” een lans breekt voor de fictie door te stellen dat het mensen ten diepste eigen is verhalen te spinnen, in te kleuren en te vertellen, kortom fictie te bedrijven. Ik voer het hier graag op als excuus.

Het is een cliché: in een stad waar het nooit stil of donker is en je dag en nacht omringd bent door de ruis van miljoenen andere levens worden je zintuigen en sociale vermogens voortdurend geprikkeld, op de proef gesteld en kun je tegelijkertijd verpletterend eenzaam zijn. De enige manier om daarmee te leven, is door juist die eenzaamheid op te zoeken en te “bewonen” door je definitief of regelmatig terug te trekken op een plek die daarvoor gelegenheid biedt en waar ondanks de aanwezigheid van anderen het mensdom gefilterd lijkt, op afstand komt te staan. De natuur in de vorm van het bois de Vincennes is voor veel bewoners van de oostzijde van Parijs en de omringende banlieue, bij gebrek aan een te boenen voordeurstoepje, zo’n plek.

Volgens Emmaüs, een Franse humanitaire organisatie en de gemeente van Parijs bewonen er zo’n 150 à 200 personen permanent het bois de Vincennes. Vaak dakloos want illegaal of tussen de wal en het schip gevallen bij gebrek aan psychiatrische zorg, bestaat het merendeel van deze mensen uit mannen van boven de 40. Ze bewonen kampeertentjes of zelfgebouwde constructies van zeil, pallets en karton.

349px-Les_Très_Riches_Heures_du_duc_de_Berry_décembre

het château de Vincennes in het getijdenboek “les très riches heures du duc du Berry (14e eeuw)

daar is niks meer

Mijn eerste langere periode in Parijs, langer dan 3 nachten, was een maand in het appartement van de ex van de ex van een vriend in de wijk la Goutte d’Or, in het achttiende arrondissement. Ik woonde toen al in Frankrijk, maar nog niet in Parijs en moest voor de voorbereiding van een moderne kameropera die tijdens de off-editie 2005 van het festival in Avignon dagelijks uitgevoerd zou worden, elke dag in de stad repeteren.

Ik kwam uit de polder en vond Parijs groots, prachtig, imposant, bruisend, pulserend, betoverend, poëtisch, levendig en rijk; ik had tot dan toe echter de gewoonte om slechts de gebruikelijke centrale wijken te bezoeken: het eerste tot en met het vierde arrondissement, soms stak ik de Seine over naar het quartier latin voor een betere boekhandel dan de alomtegenwoordige multimediamarkt Fnac.

Deze hele centrale zone, gedrapeerd rond het historische hart van de Seine-eilanden Cité en Saint-Louis, in het noorden begrensd door de Grands Boulevards en in het zuiden door het Jardin du Luxembourg en zich uitstrekkend van de Arc de Triomphe in het westen naar de place de la Bastille in het oosten was het afgebakende gebied van mijn excursies, zoals voor de meeste toeristen. Ik vroeg me niet eens af wat zich daarbuiten bevond. Het gebeurt af en toe dat ik ergens in de stad, meestal op een vrij centraal punt, Nederlandse toeristen voorbijloop en een van hen hoor zeggen: “zullen we terug? Daar is niks meer!”. Eveneens mijn idee toentertijd. Helemaal mis!

Om in het geleende appartement te geraken, moest ik dus mijn geografische comfortzone verlaten en vanuit het centrum, op station Châtelet, nam ik lijn 4 richting Porte de Clignancourt en reisde zo voor de eerste keer naar de wijk la Goutte d’or, van oudsher een immigrantenwijk, waar eerst Fransen vanuit de provincie, later Italianen, Portugezen en Spanjaarden en uiteindelijk mensen uit de Maghreb en Afrika zich vestigden. Gelegen op de oostelijke flank van Montmartre, ingeklemd tussen de boulevard périphérique en de boulevard de la Chapelle wordt dit quartier dagelijks doorklieft door honderden treinen die forensen en toeristen van en naar het Gare du Nord vervoeren.

Toen ik op die warme juniavond bij metrostation Château Rouge met een zware weekendtas de trap naar straatniveau opklauterde en langzaam lucht kreeg van het straatleven aldaar, leek het of ik in ruim tien minuten een verre ondergrondse reis had gemaakt van het centrum van Parijs en het oude Europa naar een markt in Bamako of Abidjan. Ik werd belaagd door exotische geuren van gebakken en gefrituurde lekkernijen, er heerste een vrolijke drukte van belang: geclaxoneer van auto’s en scooters, harde stemmen, geroep in talen waarvan ik het bestaan niet vermoedde en gediscussieer in door zware accenten gehavend, maar vreugdevol, kruidig Frans. Het alles op een kakofonisch bedje van uit alle hoeken en gaten klinkende Afrikaanse muziek. Ik baande me een weg door de menigte naar het opgegeven adres.

Vanuit voormalige boulangeries, met de vroegere aanduiding in verguldde art-deco letters nog boven de deur en prachtig oud fin de siècle-tegelwerk op de binnenmuren, werden exotische vruchten, groenten en balen rijst aangeboden. Overal de geur van geroosterde kip en mais, kurkuma, komijn en andere specerijen.

Afrikaanse kappers en barbiers knipten, schoren, ontkroesden of maten extensions aan, op elke straathoek geldwissellokketten, een keur aan Afrikaanse kledingboetieks en oneindig veel toko’s waar kleding werd gerepareerd en men ook voor een scherp tarief naar Gana of Nigeria kon bellen. Slechts de alomtegenwoordige, strenge Hausmann-architektuur verzekerde me dat ik nog steeds in Parijs was en contrasteerde scherp met het uitbundige leven op straat.

Mijn Nokia 3310 was toen een kek telefoontje, maar het had geen GPS. Ik liep twee keer verkeerd en moest mijn beduimelde, minuscule zakplattegrond raadplegen om de goede richting te vinden. Ik had het warm, ik had haast en was niet op mijn gemak. Ik was de dertig gepasseerd en ervoer voor het eerst van mijn leven hoe het was om in de minderheid te zijn: het dubieuze voorrecht van de blanke, West-Europese man. Inmiddels ben ik gewend geraakt aan deze situatie, regelmatig ben ik als westerling, met enkele andere continentgenoten in de minderheid in de metro of op straat. Het is een ervaring die ik iedere blanke West-Europeaan toewens. Mijn comfortabele polderperspectief ging uit het lood, aannames, wereldbeelden gingen schuiven, vielen aan duigen of moesten worden herzien. Samenleven in de ware zin van het woord is de enige onontkoombare optie, hoe ingewikkeld en soms zelfs beangstigend het ook kan zijn met zoveel verschillende nationaliteiten, geloven, gebruiken per vierkante kilometer.

Meanderend door de menigte in de rue Myrha en rue Doudeauville, voelde ik me geenszins bedreigd of in gevaar, maar eerder ongezien, inexistent. Zoals een loslopende hond in een menigte door iedereen wordt gezien maar door niemand echt in acht wordt genomen, omdat hij nergens bij lijkt te horen; zo wrong ik me door groepen luid discussierende mannen en royaal, met lange uithalen lachende vrouwen met grote, rijk gevulde tassen in hun armen en ik pareerde mijn ongemak met een geveinsde houding van zelfvertrouwen, alsof ik zeker wist waar ik zijn moest.

Eenmaal op mijn bestemming aangekomen, dook ik het portiek in, en tikte de code van de toegangsdeur en begon aan een vermoeiende klim naar de 6e verdieping van een Parijse woonkazerne zonder lift. Hijgend en bezweet bereikte ik het sobere appartement onder het dak, deed de ramen open, zag de zee van zinken daken en antennes en de door smog vekleurde hemel. De warme lucht van de grote stad sloeg in mijn gezicht, met in zijn kielzog: uitlaatgassen, kookluchten en een zweem van rioollucht zoals zo vaak hier bij droog weer . Ik dronk wat water en plofte neer op een stapel kussens die als bank fungeerde.

De geluiden van de straat, van roepende kinderen in een arrière-cour, koerende duiven in de dakgoot en van treinwielen die schrapend, krijsend en bonkend over spoorwissels het Gare du Nord binnenreden, vermengden zich met het matte, omfloerste gebons en geschuif achter de flinterdunne muren en onder de ruwe, houten vloer.  Sonore getuigen van het mij omringende leven: gestommel in het trappenhuis, het slaan van een voordeur, het verschuiven van een meubelstuk, een huilende baby, een klopboor, potten en pannen, een luid telefoongesprek, een verre radio.

Buren alom.

De Seinekades, het Louvre, Saint-Germain-des Prés, het leek allemaal zo ver weg. Ik was in een ander Parijs, het Parijs van de “quartiers”, waar, ver van grootsheid, pracht, pronk, statie en chic de harteklop van het complexe  leven in een metropool hoor-en voelbaar is, waar het decor een ondergeschikte rol speelt en je bij het omslaan van bijna elke straathoek een volledig ander universum betreedt.

Volgens wikipedia heeft la Goutte d’Or een bevolkingsdichtheid van meer dan 26000 inwoners per vierkante kilometer, dit tegenover ruim 5000 inwoners per vierkante kilometer in Amsterdam.  De wijk dankt zijn naam aan het gehucht La Goutte d’Or dat zich ooit op deze plek, slechts enkele kilometers verwijderd van wat toen Parijs was, bevond en waar een herberg met dezelfde naam gevestigd was: de naam schijnt eveneens te refereren aan de goudkleurige witte wijn die men hier destijds produceerde.

70593061_10157461860696838_6613012753978228736_n Doorgaan met het lezen van “daar is niks meer”

het leven is elders….

Bij mijn geboorte kochten mijn ouders bij de lokale kantoorboekhandel een baby – album ; een fotoalbum waarin de eerste kiekjes van een pasgeborene kunnen worden bewaard en van vrolijk commentaar voorzien.

De eerste pagina’s van dit album zijn voorbedrukt en bieden plaats aan vitale informatie rondom de geboorte : datum, tijd en plaats, naam, het geboortekaartje, gewichtsontwikkeling, het eerste tandje en op de laatste voorbedrukte bladzijde het rubriekje : mijn eerste pasjes.

Ter illustratie van dit item een tekening van een klein jongetje dat op blote voeten, met een krantenpapieren muts op zijn hoofd, een knapzap op zijn schouder, in shirtje en luier langs veld en wegen stapt  en juist langs een blauwe wegbewijzering komt, waarop « PARIS » staat geschreven. Ik woonde al lang en breed in Parijs toen ik op een druilerige zondag op zoek was naar een kinderfoto en op dit toevallige en vroege teken aan de wand stuitte.

Op de lagere school kregen we in de vierde en vijfde klas les van een leerkracht die zijn Franse achternaam met trots droeg en die zijn liefde voor het land van Asterix, van Parijs, van zon en wijn en vooral zijn passie voor de sublieme Franse taal niet onder stoelen of banken stak. Hij leerde ons naast psalmen en gezangen, zoals het een leerkracht op een christelijke basisschool betaamt, de Nederlandse grammatica, vaderlandse geschiedenis, maar ook Franse liedjes, canons en gezegden.

In diezelfde tijd moet ik meerdere malen aan mijn ouders hebben gevraagd waarom wij nooit op vakantie gingen naar Frankrijk, iederéén ging naar Frankrijk op vakantie in die tijd ; het leek me er prettig warm en het eten scheen lekker, meer wist ik niet. Het antwoord kan ik me niet herinneren, wellicht was de onzekerheid omtrent taalbeheersing sterker dan de drang nieuwe contreien te ontdekken. Hoe dan ook trokken wij regelmatig ’s zomers de Teutoonse gebieden door, om uiteindelijk in Zuid-Duitsland of Oostenrijk onze tent op te slaan en verkozen we aldus Heidi’s Heimat boven het land van Marianne.

Toen ik op de middelbare school, door omstandigheden, oponthoud en omzwervingen later dan gewoonlijk Frans in mijn vakkenpakket kon kiezen, was ik de koning te rijk.

Ik anticipeerde lessen en liep altijd een aantal hoofdstukken voor, uit opwinding : ik had het gevoel dat een wereld voor me ontsloten werd door het stapje voor stapje beter leren beheersen van deze lastige, wat « hermetische » taal, met zijn weerbarstige grammatica.

Fonetiek was een feest en mijn boekenlijst te lang en te ambitieus : mijn docente heeft tijdens mijn mondeling examen, tijdens welke ik hopeloos verzandde in een uitleg in het Frans over « l’Etranger » van Albert Camus, welwillend een oogje dichtgeknepen en me een prachtig cijfer gegeven.

Tijdens mijn muziekstudie heb ik geprobeerd een blauwe maandag Frans te studeren, maar twee studies in twee verschillende steden was iets te gecompliceerd.

In 1992 voor het eerst in Parijs geweest met een vriend. Een hotel op de boulevard Magenta, de toeristische hoogtepunten, lekker eten, de duizelingwekkende metrostelsels, de bruggen, de Seine, het Centre Pompidou, het Louvre, het Musée Rodin. Ik was verkocht.

Na mijn afstuderen ben ik een tijd zoekend geweest ; ik vulde mijn dagen met lezen, boetseren en muziek maken. Ik was bezorgd en somber. In die tijd dacht ik erover naar Parijs te gaan om personal assistant van een schrijver te worden, ober of suppoost in een museum, als het moest. 70813280_10157457158606838_353799245267992576_nHet voedde mijn gedachten en dromen van vertrek, van nieuwe horizonten, van Parijs.

In de zomer van ’99 kwam ik tijdens een muzieksymposium in Rotterdam een charmante jongeman tegen die vervolgens 11 jaar lang mijn partner zou zijn. Hij was mooi, lief, grappig, muzikaal, sexy, hij ontroerde me en hij was Fransman. In 2004 ben in naar Frankrijk verhuisd, eerst naar het Normandische platteland, naar een middeleeuws huis in een appelboomgaard en sinds 2007 woon in ik in Parijs, eerst in een minuscule kamer in het 15e arrondissement met toilet in het trappenhuis, later deelde ik een appartement in het 17e en nu dus net buiten de ring in de banlieue, in Montreuil ook het 21e arrondissement of de 2e hoofdstad van Mali genoemd, vanwege de enorme Malinese gemeenschap alhier.

Vanuit mijn twee verdiepingen in dit huis uit het begin van de twintigste eeuw, leef ik mijn leven als Montreuillois, doe ik m’n boodschappen en m’n werk en trek ik bijna dagelijks met behulp van metrolijn 9 en ander transport lijnen door de stad.

Concentrische krachten, centralisatie beheersen het leven in Parijs en in Frankrijk : de richting is altijd naar het centrum toe; als de afvoer in het diepste punt van een badkuip zuigt het centrum van de stad alle aandacht, energie, levendigheid naar zich toe: de regeringsgebouwen, het Elysée, de grote musea en concertzalen zijn mastodonten van macht, cultuur en geschiedenis. Het echte leven is echter elders….